Lang geleden schreef ik dit over een reggae-album. Twintig jaar later luister ik Two Sevens Clash zonder ook maar een greintje eschatologische spanning. Geen angst meer voor 7-7, geen gesloten winkels, geen naderend einde der tijden. Hoogstens een agenda-melding: oh ja, die plaat weer eens opzetten. De wereld is intussen al zo vaak vergaan dat niemand het nog bijhoudt.
Wat destijds een profetie was, klinkt nu als een waarschuwing zonder houdbaarheidsdatum. Babylon is niet ingestort — het heeft een update gekregen. Nieuwe software, oude bugs. Joseph Hill zingt niet over algoritmes, geopolitiek of klimaattoppen, maar hij had ze moeiteloos kunnen meenemen. Het refrein past zich vanzelf aan de tijd aan. Dat is het voordeel van vaag onheil: het veroudert beter dan concrete beloftes.
Mijn jongere ik hoorde vooral ernst en betekenis. Mijn huidige ik hoort ook de ironie: dat mensen zich ooit massaal voorbereidden op een datum, terwijl de echte chaos zich altijd netjes weigert te plannen. De apocalyps komt nooit op tijd, maar altijd onverwacht — meestal op maandagochtend.
En toch werkt het nog steeds. Niet ondanks, maar dankzij die mislukte voorspelling. Two Sevens Clash is geen gelijk-hebberige plaat, maar een sfeervolle. Muziek voor mensen die denken: het voelt alsof er iets niet klopt, zonder te pretenderen dat ze weten wanneer het klapt.
Ik zet ’m nog steeds op. Niet om de wereld te begrijpen, en zeker niet om haar einde te voorspellen, maar omdat goede reggae hetzelfde doet als goede satire: ze relativeert, zonder haar tanden te verliezen. En dat is, twintig jaar later, misschien wel profetischer dan die hele 7-7 ooit was.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten