zondag

Verhuisbericht

Wie de afgelopen maanden op Franz' Golden Years heeft rondgekeken, zal gemerkt hebben dat ik onregelmatig publiceer. Maar wees gerust, ik ben niet gestopt met schrijven, ik heb een tweede huis gevonden.

De afgelopen weken verschenen op Substack, onder de naam Francesco Bryuzga, een serie artikelen onder de naam Echo's van de 19e eeuw, een virtuele reis door Amerika, Canada en Mexico.

Je kunt die echo's niet alleen horen, je kunt ze hier ook lezen.

Inmiddels werk ik aan een nieuw project: Van 9 tot 69.

In 1966 was ik negen jaar oud.
Dit jaar word ik negenenzestig.

Daartussen liggen zestig jaar muziek, herinneringen, familiegeschiedenis en maatschappelijke veranderingen. De WK's voetbal dienen als wegwijzers, maar het gaat uiteindelijk over iets anders: de tijd die ertussen ligt.

Wie nieuwsgierig is geworden, vindt hier het overzicht van de reeds verschenen hoofdstukken en de route voor de komende dagen:

Franz' Golden Years blijft gewoon bestaan. Maar nieuwe verhalen verschijnen voorlopig vooral op Substack.

Misschien zie ik jullie daar.

woensdag

een schrijvend alter ego

Voor wie meer wil lezen over mij, ik schrijf ook onder een andere naam, en publiceer die schrijfsels als artikelen. Ik ben begonnen aan een feuilleton-voorbeschouwing van het WK2026. Onder de titel "Echo's van de 19e eeuw" maak ik een virtuele rondreis door Noord-Amerika, langs de speelsteden. Francesco Bryuzga neemt de stand van het continent waar en vindt daar iets van.


maandag

Riders on the Pollenstorm

Gisteren een dagje Gelderland. Zussendag. Elly, haar twee zussen, mijn zwager Arnold en ik op camping De Rimboe in Lunteren. De Veluwe. Dennen, zandgrond, zonlicht tussen hoge bomen, kortom: Nederland zoals de Randstad zich Nederland voorstelt. Ik had er zin in. Autoritje, koffie, heerlijke lunch, wat wandelen, wat praten, afsluitend diner in een restaurant in Ede. Mooie dag.

Dacht ik.

Rond half twee sloeg de Veluwe toe.

Niet een beetje hooikoorts. Neen, een complete aanval op mijn slijmvliezen. Alsof ergens diep in het Lunterse bos een alarm afging: “Fries gedetecteerd!” Eerst mijn ogen. Vooral links. Stekende pijn alsof iemand er met een Gelderse dennennaald in stond te roeren. Daarna niezen. Snotteren. Tranen. Rillen. Ik slik dagelijks mijn hooikoortstabletten, het hele jaar door. In Friesland functioneer ik daar redelijk op. Maar de Veluwe bleek een andere divisie. Hier geen vriendelijke Gaasterlandse bermbloemen in vochtige zeelucht. Integendeel, hier heerst de droge zandgrond. Hier hebben ze pollen met een missie. Bossen die blijkbaar al eeuwen wachten op argeloze toeristen uit het Gaasterland.

Het gekke is dat je dan toch probeert normaal te blijven. Gesprekken voeren. Fanta drinken. Alsof er niet ondertussen biologisch oorlogsmateriaal door je neusholtes jaagt.

Het afsluitende diner in Ede bij ’t Zusje heb ik overleefd. Met veel zakdoekjes weliswaar, overleefd. En toen kwam de terugreis. Dat werd een aflevering van The Twilight Zone.

Met samengeknepen ogen reden we door het donkere Veluwse bos langs de Ginkelse Heide. Af en toe kneep ik mijn ogen noodgedwongen helemaal dicht. Niet ideaal op de A12 bij Arnhem, kan ik melden. Daarna de A50 langs Apeldoorn tot Hattem. Toen de N50 langs Kampen. Vervolgens Emmeloord. En eindelijk de A6 richting Lemmer, Balk, thuis.

Ik reed, El sliep. Ik voelde ons als Riders on the Storm.

Niet vanwege regen of onweer. Maar vanwege dat gevoel van onderweg zijn in een vijandig landschap. Koplampen. Donkere bomen. Een lichaam dat niet meer meewerkt. Alsof de natuur langzaam bezit van je neemt.

“Into this house we’re born…”

Alleen was dit geen storm.

Dit waren pollen.

Half twaalf thuis.

Glaasje cognac hielp.

zaterdag

Talking Heads – Speaking in Tongues – 2026

Sommige platen horen niet alleen bij een periode in je leven, maar ook bij een vast moment in het jaar. Net zoals ik op 1 november automatisch naar Bowie’s All Saints grijp, en op 7 juli Two Sevens Clash van Culture draai, zo hoort rond Pinksteren nog altijd Speaking in Tongues van Talking Heads.

Negentien jaar geleden schreef ik daar al eens over op dit blog. Toen was het nog een cd die in de speler ging. Inmiddels is de muziek digitaal geworden, de wereld veranderd, zijn weblogs bijna een nostalgisch verschijnsel geworden en is David Byrne een keurige zeventiger. Maar zodra de eerste ritmes van Burning Down the House klinken, valt de tijd even weg.

Wat me nu vooral opvalt, is hoe tijdloos deze plaat eigenlijk gebleven is. Veel muziek uit de jaren tachtig is gevangen geraakt in de productie van die tijd: de galm, de synthesizers, de modieuze effecten. Speaking in Tongues heeft dat ook wel, maar op de een of andere manier blijft het overeind. Misschien door de ritmes. Misschien door de speelsheid. Misschien doordat de Talking Heads altijd net iets eigens hadden.

In 2007 schreef ik dat dit nog vóór Stop Making Sense was, de legendarische concertfilm die de band definitief wereldberoemd maakte. Inmiddels is die film zelf ook weer cultureel erfgoed geworden. Jongere generaties ontdekken hem alsof hij gisteren gemaakt is. En terecht. Wie Tina Weymouth ziet spelen, Chris Frantz ziet drummen en David Byrne met die hoekige energie over het podium ziet bewegen, begrijpt meteen waarom.

Toch zit de kracht van Speaking in Tongues voor mij niet alleen in de muziek. Het is ook het ritueel geworden. Pinksteren, een vrije dag, mooi weer, ramen open, met de laptop op het terras achter het huis, en dan deze muziek, tegenwoordig op de SONOS Roam. Muziek als ankerpunt in de tijd.

En vreemd genoeg roept zo’n album niet alleen herinneringen op aan de jaren tachtig, maar ook aan eerdere momenten waarop ik ernaar luisterde. Ik herinner me niet alleen de muziek, maar ook mezelf. De huizen waar ik woonde. De apparatuur waarop ik luisterde. De bloglezers die erop reageerden, de collega's waarmee ik muziek maakte. Misschien is dat uiteindelijk wat favoriete platen doen: ze bewaren stukjes van mijn verleden.

De Talking Heads bestaan al lang niet meer. Maar This Must Be the Place (Naive Melody) blijft nog altijd een van de warmste, menselijkste nummers die ooit uit de postpunk is voortgekomen. En als die baslijn begint, klinkt het nog steeds alsof ik thuiskom. Niet meer thuis in Haarlem, maar thuis in Fryslân.

Tracklist:
Burning Down the House / Making Flippy Floppy / Girlfriend Is Better / Slippery People / I Get Wild/Wild Gravity / Swamp / Moon Rocks / Pull Up the Roots / This Must Be the Place (Naive Melody)

zondag

Ontregelende zuivel

Bij het openen van de vleeswarentrommel zag ik het onmiddellijk; mijn oog viel op het etiket van de kaas en ik was verloren. Wankelend stond ik bij het aanrecht, kaasschaaf trillend in de hand, bevangen door existentiële twijfel: daar lag een blok Noord-Hollandse Gouda. Echt waar.

Ik besefte na enkele ogenblikken dat “Gouda” hier als productnaam wordt gebruikt, en niet als de naam van die prachtige stad in Zuid-Holland. Maar het kwaad was al geschied. Mijn wereldbeeld, eigenlijk mijn PLUS-kaasbeeld, is nooit meer hetzelfde.

Mijn gedachten dwaalden af naar 1840, toen Holland bestuurlijk werd gesplitst in Noord- en Zuid-Holland. Grenzen werden getrokken. Aan de westzijde van de toen nog niet drooggelegde Haarlemmermeer liep die grens langs de Hillegommer Beek — tegenwoordig een vriendelijk meanderend stroompje waar eenden met pensioen lijken te zijn gegaan. Toch bepaalde dat slootje mede het lot van Haarlem, Hillegom, Bennebroek en uiteindelijk zelfs van de bollenteelt.

Want waar een “Noord-” bestaat, verwacht men automatisch een “Zuid-”. Noord-Korea, Zuid-Korea. North Carolina, South Carolina. Zulke namen ontstaan zelden zonder strijd, conflict of minstens bestuurlijke ruzie.

En nu dus: Noord-Hollandse Gouda.

Ik vermoed dat de kaasmakers van PLUS bij dit alles vooral dachten: “lekker belegen”. Maar voor mij blijft het een ontregelend product. Alsof iemand Friese Limburgse vlaai verkoopt.

De kaas smaakt overigens uitstekend. Dat maakt het misschien nog verontrustender.

De steekproef die niets controleerde

Gisteren kocht ik tien blikjes tomatenpuree. Niets bijzonders. Bij de zelfscan scande ik één blikje, stelde het aantal in en drukte op ‘nu betalen’. Steekproef. Een medewerker kwam, pakte drie blikjes uit mijn tas en scande ze. Piep, piep, piep. “Het is goed, u mag door.”

En daar zit de denkfout. De controle moet nagaan of mijn tas overeenkomt met wat ik heb gescand. Maar wat gebeurde hier? Er werd drie keer hetzelfde gecontroleerd: of een blikje tomatenpuree inderdaad een blikje tomatenpuree is. De kans dat uit tien identieke blikjes drie keer tomatenpuree wordt gepakt, is precies 100%. Met andere woorden: de steekproef controleerde niets. Ze bevestigde alleen het vanzelfsprekende.

Als er één afwijkend product tussen had gezeten, had ze dat juist moeten proberen te vinden. Ze had het aantal blikjes in mijn tas moeten tellen. Maar dat gebeurde niet. Ik mocht door. Terecht waarschijnlijk — maar niet dankzij deze steekproef.

Je kunt dus zonder moeite tientallen identieke producten in je tas stoppen, er slechts drie scannen, en de steekproef zal het niet merken. “Het is goed, u mag door.” De logica piept, maar rekent niet.

dinsdag

De opkomst en ondergang van een groot Romeins artiest

Eros Ramazzotti - Una Storia ImportanteEros Ramazzotti - Una Storia Importante (2025)

Net zoals het Romeinse Rijk ooit floreerde en langzaam zijn glans verloor, zo kan ook een artiest door de jaren heen pieken en dalen ervaren. Het nieuwste album van Eros Ramazzotti is een mooi moment om stil te staan bij die glorieuze opkomst en onontkoombare neergang – en te zien hoe tijd en herinterpretatie oude glorie doet schitteren of vervagen.

Ik ben er zo een die nog wel eens een cd koopt. Niet meer zoveel cd's als in het pre-streaming tijdperk, dat pakweg vijftien jaar geleden zijn intrede in Franz' wereld deed. Maar zo af en toe...  Er komt al een tijdje geen nieuwe werk meer uit van David Bowie, van Tom Petty, van Scott Walker, dus daar hebben we het maar niet over. Maar een nieuwe Springsteen, McCartney, Dylan, ik kan het niet laten. En tot die laatste categorie behoort ook mijn Romeinse held Eros Ramazzotti.

In november bracht hij zijn zestiende studioalbum uit, Una storia importante, een belangrijk verhaal. Is het écht zo belangrijk? Nou, dat valt wel mee. Het is een beetje een vreemd album. Ik zal dat proberen uit te leggen.

Dat komt in de eerste plaats door de keuze van de liedjes. Het zijn er vijftien, zes daarvan zijn oude bekende liedjes, liedjes die we al kennen van vorige albums. De andere zijn nieuw. Van die oude liedjes krijgen we nu nieuwe uitvoeringen, waarbij bekende gasten meezingen:

  • Op L'aurora zingt Alicia Keys mee,
  • bij Un'emozione per sempre komt Ultimo meedoen,
  • Andrea Bocelli zingt mee met Se bastasse una canzone,
  • Otra como tú doet-ie samen met Carín León,
  • het is Georgia die meezingt op Quanto amore sei, nota bene een liedje dat we alleen kenden van die 1997-compilatie, waarop dit een van de twee nieuwe liedjes was,
  • en ten slotte Fuego en el fuego is een duet met Lali.
Nieuwe versies van oude liedjes, dat kennen we inmiddels wel van Eros. In 1997 kwam zijn eerste compilatie uit, Eros. Daarop twee nieuwe liedjes (!), vijf liedjes die wel kenden in die uitvoering, maar ook nog negen nieuwe versies van oude bekenden. Ik noem alleen al het duet met Tina Turner, Cose della vita, en je begrijpt wat ik bedoel. Tien jaar later kwam hij met de dubbel-cd, e2, waarvan cd1 een compilatie was met veertien liedjes van eerdere albums en vier nieuwe liedjes. De andere cd bevatte een verzameling heropnames van oude liedjes met gastoptredens van onder andere Wyclif Jean, Carlos Santana en The Chieftains. Best lekker eigenlijk, maar niet echt nodig. Toen dus nog twee cd's, waarvan één met origineel werk en de andere met remakes. Nu loopt dat dus door elkaar op één cd. Daar hou ik niet van.

En dan is er nog een ander dingetje. Eros is een trotse Romein, hij is Italiaan en zingt Italiaans. Zo was het, zo hoort het. Dat-ie om commerciële redenen ook al zijn liedjes in het Spaans zingt en als aparte spaanstalige cd's uitbrengt, prima. Maar val mij daar niet mee lastig. Voor mij zingt Eros Italiaans, of hij zingt niet. Klaar. Maar op deze nieuwe cd staan plotseling ook een Spaansgezongen liedje: het hierboven al genoemde Fuego en el fuego. Dat kan natuurlijk niet zomaar: ik verwacht Fuoco nel fuoco, ik wíl Fuoco nel fuoco. Teleurstellend.

Dus ik ben niet onverdeeld enthousiast over deze nieuwe uitgave. Zijn productiviteit neemt af, zijn articiteit staat onder druk. Maar deze cd blijft natuurlijk wel een verschrikkelijk leuk hebbedingetje. Ik heb de deluxe uitgave, prachtig uitgevoerd met fotoboekjes, de songteksten, helemaal goed. Ik ben blij dat ik het aan mijn verzameling heb toegevoegd. En zeg nou zelf, wanneer je de eerdere vijftien cd's in de kast hebt staan, dan moet de zestiende er toch bij?

ZIjn carrière begon in 1984, met Terra Promessa. In Nederland was zijn eerste hit Ma che bello questo amore in 1987. Zo'n veertig jaar geleden begon zijn ster te rijzen. Indrukwekkend dat-ie er nog steeds is. Maar het gaat tegenwoordig niet meer omhoog. Misschien klinkt het wat Romeins, maar zo gaat het nu eenmaal: elk rijk en elke artiest kent pieken en dalen. En terwijl Ramazzotti zijn oude glorie nieuw leven inblaast, kunnen wij als luisteraars glimlachen, meezingen, en ons afvragen welke hoofdstukken nog komen – want zelfs een groot Romeins artiest houdt ons nieuwsgierig tot het einde. Roem mag dan in steen gebeiteld lijken, maar zelfs marmer slijt. Vandaag headliner in het Colosseum, morgen nostalgie op Spotify.

Over Belgen in het Gaasterland - een complexe familiegeschiedenis

Een alleraardigste roman uit 2014. Twee schrijvers, twee hoofdpersonen, twee verhalen. De ene schrijver een Vlaming, de ander een Fries. Het ene verhaal speelt zich af tijdens de Eerste Wereldoorlog, het andere verhaal loopt van 1965 tot 1987. Wat de verhalen gemeen hebben is de locatie: het Gaasterland. En, verrassend, in het laatste hoofdstuk komen de verhalen bij elkaar, in september 2011 in De Gearte in Bakhuizen.

Dat verrassend bedoel ik een beetje spottend, want die ontknoping kondigt zich al heel vroeg aan.

De schrijvers zijn de Vlaamse Ida van Dessel en de Fries Pieter Folmer. In de roman wisselen hun hoofdstukken elkaar af. Hun schrijfstijl is zeer verschillend, je leest eigenlijk twee verhalen tegelijkertijd. Ida schrijft in korte zinnen, met herkenbare verwijzingen naar popcultuur, ze roept met weinig woorden een duidelijk tijdsbeeld op. Ze schrijft vanuit het perspectief van haar hoofdpersoon. En Pieter daarentegen is beschouwender. Hij is een alwetende verteller, die zijn hoofdpersoon op de voet volgt en nauwelijks uitstapjes maakt. Vooral door middel van zijn dialogen schetst hij zijn karakters, en dat doet-ie prima. Dat de verhaallijnen aan het einde bij elkaar komen, dat voel je al heel snel op je klompen aan. Is dat erg? Helemaal niet.

Het aantrekkelijke van dit boek is de locatie, het Gaasterland. Rijs, Oudemirdum, Nijemirdum, Warns, it Reaklif, Balk, Workum, sinds een tiental jaar voor mij bekend terrein. Ik herken de plekjes, de fietspaden, de huizen, de weilanden, het voelt zó vertrouwd. Ik betrap me erop dat ik alert ben op locatiebeschrijvingen waarin iets niet klopt. Maar die heb ik niet gevonden. Van het lezen van dit boek werd ik blij. Ik hou er namelijk van dat dingen duidelijk worden opgeschreven — en dat ze kloppen.

Dat de geschiedenis van de in Rijs geïnterneerde Belgen tijdens WO 1 een hoofdrol speelt in het verhaal, helpt mee. Het geeft aan dat het bescheiden, afgelegen, rustige Gaasterland meedeed in de brede historische context. Om de vergelijking met The Lord of the Rings te maken: het voelt zoals The Shire een rol speelde in de War of the Ring.

woensdag

Van Melkert tot Mandelson: politieke valpartijen in popcultuur

Melkert in 2002 – wat een val! De architect van Paars leed onherstelbaar gezichtsverlies na een ontluisterende verkiezingsuitslag. Politieke zekerheid verdween sneller dan Andries Noppert op het WK tegenover Messi in de penaltyserie: hartkloppingen, ogen op hem gericht, en toch totaal overrompeld. Het leek alsof Sheldon Cooper zijn hele lab in de fik zag vliegen: ongeloof, paniek én komedie tegelijk.

Februari 2026 – kijk naar Peter Mandelson na de Epstein-files! De architect van New Labour, de Gandalf van de Britse politiek – alomtegenwoordig, invloedrijk, onmisbaar – staat plots in de schaduw van zijn eigen saga. Star Wars-fans zouden zeggen: Anakin Skywalker is volledig overgenomen door de duistere kant. En ja, het publiek kijkt toe met popcorn in de hand, net als bij een onverwachte cameo van Keith Richards die al zestig jaar zijn gitaar hanteert terwijl de wereld doordraait.

Politiek en popcultuur kruisen elkaar altijd. Gary Glitter kreeg ooit zijn ontnuchtering, net zoals Mandelson nu. Melkert viel als Boromir bij Osgiliath, en wij stonden erbij alsof we naar een Champions League-wedstrijd van Ajax keken, die dramatischer eindigde dan elke serie ooit. The Lord of the Rings, Star Wars, Ajax, The Big Bang Theory – stuk voor stuk metaforen voor mensen die hoog willen vliegen.

Elke politieke valpartij heeft een soundtrack: een beetje James Dean’s rebel zonder doel, een beetje Marco Borsato's en Ali B's glansrijke podium van weleer. Het publiek reageert met een mix van lachen, wenen en scrollen door memes. De les? Charisma en talent beschermen je niet tegen een plotwending. Melkert en Mandelson herinneren ons eraan: zelfs de grootste helden kunnen in een paar scènes worden gereduceerd tot cameo’s in hun eigen soap.

Dus ja, politiek is de ultieme popcultuurshow: drama, tragiek, helden en antihelden, met een soundtrack van Keith Richards hier, Three Little Birds daar. En wij? Wij zitten in de zaal, popcorn in de hand, wachtend op de volgende val.



Het weer is weer weer

Over verijzen, verrijzen en verreizen

Na het voor Nederlandse begrippen tamelijk extreme winterweer van vorige week is het weer weer rustig. Twee keer weer achter elkaar: het mag. De taal kijkt niet streng, ze knikt hooguit even.

Hier en daar ligt nog een brok verijsde sneeuw. Dat woord blijft hangen: verijzen. En meteen melden zich zijn klankgenoten. Verrijzen, verreizen. Drie woorden die hetzelfde klinken en toch iets totaal anders doen. IJs dat blijft liggen. Iets dat opstaat. Iemand die vertrekt. Het oor hoort één woord, het hoofd sorteert.

Ik blijf even staan bij die laatste resten sneeuw en merk hoe gedachten zich verplaatsen zonder dat ik een stap zet. Van kou naar beweging, van blijven naar gaan. Het kost geen moeite.

Misschien is dat wel de echte kracht van taal: ze laat je reizen zonder bagage, verrijzen zonder reden en verijzen zonder winter. En dat allemaal terwijl het weer gewoon weer is.

dinsdag

Een zwak voor Friese kerktorens met een zadeldak

Een onverklaarbare bakstenen fascinatie voor zevenenzestig torens tussen elf steden.

De eerste keer dat ik in Fryslân kwam, jaren geleden, viel me een zeer karakteristiek aspect van de Friese cultuurgeschiedenis op. Niet een echt spectaculair aspect, geen seks, geen drugs, geen rock ’n roll, maar kerktorens met een zadeldak. Middeleeuwse kerktorens in romaanse stijl gebouwd met een zadeldak. Geen torenspits, geen koepeltje, geen plat dak, neen, een kerk met een middeleeuwse toren met een zadeldak. Buiten Fryslân zie je ze nauwelijks. Ja, een enkele in Groningen, hier en daar een in Drenthe, in Limburg heb je er een paar, maar dat is het dan. Ik heb via desktop-research een inventarisatie gemaakt en ik kwam tot het indrukwekkende aantal van zevenenzestig zulke torens in Friesland. Regelmatig trek ik eropuit om deze te bezoeken en te fotograferen. Als een project, met als doel: de samenstelling van een fotoalbum met daarin alle Friese torens met een zadeldak, voorzien van een korte beschrijving. Van deze zevenenzestig zijn er twee in een stad: één in Sloten, en één in Bolsward. De andere vijfenzestig staan in dorpen verdeeld over de provincie. Ik heb er nu zestig in mijn work-in-progress album en heb er dus nog zeven te gaan: Hollum, Ingwierum, Foudgum, Nes, Waaksens, Hegebeintum en Wyns. Ja, begin aan een project en je komt nog eens ergens!

Misschien is dat wel wat deze torens me leren: dat sommige dingen niet bedoeld zijn om af te ronden, alleen om steeds opnieuw te bekijken.

maandag

Nachtboek na vijftig jaar

Er zijn boeken die onlosmakelijk verbonden raken met een levensfase. Met school, met onzekerheid, met ambitie. En soms krijg je de kans om zo’n boek opnieuw te ontmoeten.

In het schooljaar 1974/75 deed ik eindexamen vwo, met Nederlands natuurlijk als verplicht vak. In dat laatste schooljaar moest ik een uitgebreide boekanalyse maken voor het eerste schoolonderzoek. We schrijven oktober 74, voor wie mijn Wortels en vleugels las begrijpt het: ik maakte een moeilijke periode door. Ik was gewend alles te lezen wat er te lezen viel; ik bracht vrijwel al mijn tijd door in de openbare bibliotheek. Jan Wolkers, Harry Mulisch, W.F. Hermans, Gerard Reve, allemaal geweldig. Maar de roman die de meeste indruk op me maakte, was een vertaling. Ik vroeg mijn docent toestemming om een ​​boek te analyseren dat uit het Fries was vertaald, en hij vond het prima. De titel: De verwoesting van Leeuwarden. Ik had niets met Leeuwarden, ik verkeerde in full puber mode en een beetje verwoesting van die verweggelegen stad was eigenlijk wel een aantrekkelijk perspectief voor de ambitieuze maar timide jongeman die ik was, de jongen die naam wilde maken.

Riemersma schreef een experimentele roman, waarin hij een zeer spannend verhaal vertelt. Het ritme van het verhaal wordt bepaald door voortdurende onderbrekingen waarin de auteur reflecteert op zijn schrijfproces, zijn drijfveren en zijn eerdere romans. De ondertitel is Nachtboek, omdat hij het voornamelijk 's nachts schreef; overdag moest hij gewoon werken. Het verhaal over die stadsverwoesting is een dystopisch verhaal, waarin levensgrote ratten de macht in Leeuwarden overnemen. Het loopt niet goed af voor de mensen. Eigen schuld, volgens de auteur. Zo'n complexe roman analyseren (plot, perspectief, karakterontwikkeling, tijdsverloop, enzovoort), dat was precies wat ik zocht. En ik kreeg een goed cijfer voor mijn analyse.

Dat was dus ruim vijftig jaar geleden.

En onlangs zag ik het in een tweedehands boekhandel in Bolsward liggen: het Friese origineel in de originele druk uit 1966. Ik heb het meegenomen. Ik heb immers de cursussen Lear mar Frysk en Praat mar Frysk gevolgd. Ik zou dit nu dus moeten kunnen lezen. En dat lukt! Het is geschreven volgens de Friese spellingsregels van vóór 1980, maar dat levert geen problemen op, slechts af en toe een taalpuzzeltje. Nostalgisch leesplezier op 160 pagina's, heerlijk.

zondag

Muziek die me ouder zag worden

Tien jaar geleden overleed David Bowie. Dat klinkt als een herdenking, maar zo voelt het niet. Het is meer een meetpunt. Een moment waarop ik even stilsta en merk: ik sta ergens anders dan toen.

Toen Bowie stierf woonde ik in Haarlem. Stadsgeluiden, agenda’s, werk dat de dagen ordende. Ik weet nog waar ik was toen het nieuws binnenkwam. Ik zat in de auto, onderweg naar Capelle a/d IJssel, 7.25 uur, NPO Nieuwsradio, bij de verkeerslichten op Europaweg in Schalkwijk. Mijn herinnering aan dat moment is nog steeds scherp: verrassing, ongeloof, en daarna de behoefte om te luisteren. Alsof muziek iets kon doen wat woorden niet konden. Bowie hoorde bij mijn leven, hij was er altijd. Tussen afspraken, deadlines, het gewone gedoe.

Nu woon ik in Balk. Fries platteland. Ruimte, lucht, stilte die geen leegte is maar aanwezigheid. De weg van Haarlem naar Balk was geen rechte lijn, maar wel een duidelijke overgang. En ergens onderweg ben ik ook met werken gestopt. Gepensioneerd — een woord dat nog steeds wat vreemd in de mond ligt. Tijd kreeg een andere vorm. Minder blokken, meer uitgestrektheid. Minder wekker, meer vrienden.

Ik merk dat muziek zich daar moeiteloos aan heeft aangepast. Of misschien: ik heb geleerd anders te luisteren.

Als ik Bowie nu opzet, gebeurt er iets anders dan tien jaar geleden. Niet beter, niet slechter — anders. In de stad was muziek vaak begeleiding. Nu is het vaker bestemming. Ik luister niet meer “even”, maar gewoon. Zonder haast. Zonder dat er iets moet volgen. Soms terwijl ik uit het raam kijk, soms tijdens een wandeling die nergens heen hoeft.

Van alle nummers die Bowie heeft gemaakt, is Where Are We Now? in de loop van die tien jaar steeds belangrijker geworden. Niet omdat het zo’n groot statement is, maar juist omdat het dat niet wil zijn. Het nummer kijkt terug zonder te verklaren. Het vraagt, zonder een antwoord te eisen.

Where are we now?
Het is een simpele vraag. Maar hij blijft hangen.

Toen ik dit nummer voor het eerst hoorde, dacht ik vooral aan Bowie zelf. Aan Berlijn, aan herinneringen, aan ouder worden als onderwerp. Nu hoor ik er ook mijn eigen leven in. Haarlem, Balk. Werken, niet meer werken. Dingen die verdwenen zijn zonder echt afscheid te nemen. Dingen die zijn gekomen zonder dat ik ze gepland had.

Wat me raakt, is hoe mild het nummer is. Geen dramatiek, geen grote conclusies. Alleen observatie. Alsof Bowie wist dat ouder worden niet bestaat uit grote momenten, maar uit kleine verschuivingen. Dat je op een dag merkt dat je ergens anders staat — letterlijk of figuurlijk — en dat dat oké is.

Blackstar heb ik de afgelopen dagen ook weer gedraaid. Tien jaar later klinkt het nog steeds intens, maar minder schokkend. Misschien omdat ik zelf rustiger ben geworden. Of omdat afscheid nemen in de tussentijd een andere betekenis heeft gekregen. Het album voelt nu minder als een afscheid van Bowie, en meer als een oefening in loslaten. Iets afronden zonder het dicht te timmeren.

Wat Bowie voor mij nooit is geweest, is een idool dat stilstaat. Zijn muziek is meeveranderd, niet omdat zij veranderde, maar omdat ik dat deed. Sommige platen zijn even naar de achtergrond verdwenen. Andere zijn juist naar voren gekomen. Dat voelt niet als verraad, maar als een natuurlijke beweging. Muziek die blijft, doet dat niet door te blijven klinken zoals vroeger, maar door nieuwe lagen toe te laten.

Misschien is dat wel wat me het meest bezighoudt, nu. Muziek die je niet jong houdt, maar je ouder laat worden. Die niet zegt: kijk eens wie je was, maar vraagt: waar ben je nu?

Tien jaar geleden woonde ik in Haarlem en werkte ik nog. Nu woon ik in Balk en heb ik tijd. Bowie is in die tijd niet veranderd. Zijn muziek wel — voor mij. En dat is misschien precies zoals het hoort.

Ik zet Where Are We Now? nog eens op. Het nummer eindigt zonder antwoord. Buiten is het stil. Binnen ook. En ergens daartussen, denk ik, is het goed zo.

vrijdag

Wortels en vleugels

"Jij hebt zeker tijd te veel, nu je met pensioen bent." Ik weet het niet, de dagen lijken soms niet lang genoeg om alles te doen wat ik zou willen doen. Tussen de vele bedrijven door heb ik iets gedaan waar ik apetrots op ben: ik heb een boek geschreven! Het heet Wortels en vleugels, en het vertelt het verhaal van mij, van mijn ouders en van mijn grootouders. Ik kom uit een rooms-katholiek nest, allemaal geworteld in de Bollenstreek. Aan de hand van gesprekken, brieven en herinneringen heb ik geprobeerd om mijn familie, de mensen om hen heen, om relevante gebeurtenissen weer tot leven te brengen.

Nu ik erop terugkijk realiseer ik me dat Wortels en vleugels een beeld geeft van afkomst, geloof en maatschappelijke veranderingen die elkaar beïnvloeden. In dat beeld zie je hoe ieder zijn weg probeert te vinden binnen de grenzen van zijn tijd.

Het voelt heel bijzonder om je eigen boek in de handen te houden. Er komt zoveel bij kijken! Ik heb zelf de typografie gedaan: het vormgeven, opmaken en rangschikken van tekst om deze leesbaar, begrijpelijk en visueel aantrekkelijk te maken. Dat betekent keuzes over bladformaat, lettertypen, lettergrootte, regelafstand, witruimte en uitlijning. Voor de omslag heb ik de hulp van ChatGPT ingeroepen. En om het uiteindelijk bij de drukker te krijgen, daarvoor heb ik hulp gekregen van StudioFRL. In alle bescheidenheid constateer ik dat het boek er fantastisch uitziet.

Het is niet te koop in de boekwinkel. Wie een exemplaar wil hebben, moet bij mij de vinger opsteken. 

Verhuisbericht

Wie de afgelopen maanden op Franz' Golden Years heeft rondgekeken, zal gemerkt hebben dat ik onregelmatig publiceer. Maar wees gerust, i...