Tien jaar geleden overleed David
Bowie. Dat klinkt als een herdenking, maar zo voelt het niet. Het is
meer een meetpunt. Een moment waarop ik even stilsta en merk: ik sta
ergens anders dan toen.
Toen Bowie stierf woonde ik in
Haarlem. Stadsgeluiden, agenda’s, werk dat de dagen ordende. Ik weet nog
waar ik was toen het nieuws binnenkwam. Ik zat in de auto, onderweg
naar Capelle a/d IJssel, 7.25 uur, NPO Nieuwsradio, bij de verkeerslichten op
Europaweg in Schalkwijk. Mijn herinnering aan dat moment is nog steeds scherp: verrassing, ongeloof, en daarna de behoefte om te luisteren. Alsof
muziek iets kon doen wat woorden niet konden. Bowie hoorde bij mijn
leven, hij was er altijd. Tussen afspraken, deadlines, het gewone gedoe.
Nu woon ik in Balk. Fries
platteland. Ruimte, lucht, stilte die geen leegte is maar aanwezigheid.
De weg van Haarlem naar Balk was geen rechte lijn, maar wel een
duidelijke overgang. En ergens onderweg ben ik ook met werken gestopt.
Gepensioneerd — een woord dat nog steeds wat vreemd in de mond ligt.
Tijd kreeg een andere vorm. Minder blokken, meer uitgestrektheid. Minder
wekker, meer vrienden.
Ik merk dat muziek zich daar moeiteloos aan heeft aangepast. Of misschien: ik heb geleerd anders te luisteren.
Als ik Bowie nu opzet, gebeurt er
iets anders dan tien jaar geleden. Niet beter, niet slechter — anders.
In de stad was muziek vaak begeleiding. Nu is het vaker bestemming. Ik
luister niet meer “even”, maar gewoon. Zonder haast. Zonder dat er iets
moet volgen. Soms terwijl ik uit het raam kijk, soms tijdens een
wandeling die nergens heen hoeft.
Van alle nummers die Bowie heeft gemaakt, is Where Are We Now?
in de loop van die tien jaar steeds belangrijker geworden. Niet omdat
het zo’n groot statement is, maar juist omdat het dat niet wil zijn. Het
nummer kijkt terug zonder te verklaren. Het vraagt, zonder een antwoord
te eisen.
Where are we now?
Het is een simpele vraag. Maar hij blijft hangen.
Toen ik dit nummer voor het eerst hoorde, dacht ik vooral aan Bowie zelf. Aan Berlijn, aan herinneringen,
aan ouder worden als onderwerp. Nu hoor ik er ook mijn eigen leven in.
Haarlem, Balk. Werken, niet meer werken. Dingen die verdwenen zijn
zonder echt afscheid te nemen. Dingen die zijn gekomen zonder dat ik ze
gepland had.
Wat me raakt, is hoe mild het
nummer is. Geen dramatiek, geen grote conclusies. Alleen observatie.
Alsof Bowie wist dat ouder worden niet bestaat uit grote momenten, maar
uit kleine verschuivingen. Dat je op een dag merkt dat je ergens anders
staat — letterlijk of figuurlijk — en dat dat oké is.
Blackstar heb ik de afgelopen dagen
ook weer gedraaid. Tien jaar later klinkt het nog steeds intens, maar
minder schokkend. Misschien omdat ik zelf rustiger ben geworden. Of
omdat afscheid nemen in de tussentijd een andere betekenis heeft
gekregen. Het album voelt nu minder als een afscheid van Bowie, en meer
als een oefening in loslaten. Iets afronden zonder het dicht te
timmeren.
Wat Bowie voor mij nooit is
geweest, is een idool dat stilstaat. Zijn muziek is meeveranderd, niet
omdat zij veranderde, maar omdat ik dat deed. Sommige platen zijn even
naar de achtergrond verdwenen. Andere zijn juist naar voren gekomen. Dat
voelt niet als verraad, maar als een natuurlijke beweging. Muziek die
blijft, doet dat niet door te blijven klinken zoals vroeger, maar door
nieuwe lagen toe te laten.
Misschien is dat wel wat me het
meest bezighoudt, nu. Muziek die je niet jong houdt, maar je ouder laat
worden. Die niet zegt: kijk eens wie je was, maar vraagt: waar ben je
nu?
Tien jaar geleden woonde ik in
Haarlem en werkte ik nog. Nu woon ik in Balk en heb ik tijd. Bowie is in
die tijd niet veranderd. Zijn muziek wel — voor mij. En dat is
misschien precies zoals het hoort.
Ik zet Where Are We Now? nog eens op. Het nummer eindigt zonder antwoord. Buiten is het stil. Binnen ook. En ergens daartussen, denk ik, is het goed zo.