zondag

De steekproef die niets controleerde

Gisteren kocht ik tien blikjes tomatenpuree. Niets bijzonders. Bij de zelfscan scande ik één blikje, stelde het aantal in en drukte op ‘nu betalen’. Steekproef. Een medewerker kwam, pakte drie blikjes uit mijn tas en scande ze. Piep, piep, piep. “Het is goed, u mag door.”

En daar zit de denkfout. De controle moet nagaan of mijn tas overeenkomt met wat ik heb gescand. Maar wat gebeurde hier? Er werd drie keer hetzelfde gecontroleerd: of een blikje tomatenpuree inderdaad een blikje tomatenpuree is. De kans dat uit tien identieke blikjes drie keer tomatenpuree wordt gepakt, is precies 100%. Met andere woorden: de steekproef controleerde niets. Ze bevestigde alleen het vanzelfsprekende.

Als er één afwijkend product tussen had gezeten, had ze dat juist moeten proberen te vinden. Ze had het aantal blikjes in mijn tas moeten tellen. Maar dat gebeurde niet. Ik mocht door. Terecht waarschijnlijk — maar niet dankzij deze steekproef.

Je kunt dus zonder moeite tientallen identieke producten in je tas stoppen, er slechts drie scannen, en de steekproef zal het niet merken. “Het is goed, u mag door.” De logica piept, maar rekent niet.

dinsdag

De opkomst en ondergang van een groot Romeins artiest

Eros Ramazzotti - Una Storia ImportanteEros Ramazzotti - Una Storia Importante (2025)

Net zoals het Romeinse Rijk ooit floreerde en langzaam zijn glans verloor, zo kan ook een artiest door de jaren heen pieken en dalen ervaren. Het nieuwste album van Eros Ramazzotti is een mooi moment om stil te staan bij die glorieuze opkomst en onontkoombare neergang – en te zien hoe tijd en herinterpretatie oude glorie doet schitteren of vervagen.

Ik ben er zo een die nog wel eens een cd koopt. Niet meer zoveel cd's als in het pre-streaming tijdperk, dat pakweg vijftien jaar geleden zijn intrede in Franz' wereld deed. Maar zo af en toe...  Er komt al een tijdje geen nieuwe werk meer uit van David Bowie, van Tom Petty, van Scott Walker, dus daar hebben we het maar niet over. Maar een nieuwe Springsteen, McCartney, Dylan, ik kan het niet laten. En tot die laatste categorie behoort ook mijn Romeinse held Eros Ramazzotti.

In november bracht hij zijn zestiende studioalbum uit, Una storia importante, een belangrijk verhaal. Is het écht zo belangrijk? Nou, dat valt wel mee. Het is een beetje een vreemd album. Ik zal dat proberen uit te leggen.

Dat komt in de eerste plaats door de keuze van de liedjes. Het zijn er vijftien, zes daarvan zijn oude bekende liedjes, liedjes die we al kennen van vorige albums. De andere zijn nieuw. Van die oude liedjes krijgen we nu nieuwe uitvoeringen, waarbij bekende gasten meezingen:

  • Op L'aurora zingt Alicia Keys mee,
  • bij Un'emozione per sempre komt Ultimo meedoen,
  • Andrea Bocelli zingt mee met Se bastasse una canzone,
  • Otra como tú doet-ie samen met Carín León,
  • het is Georgia die meezingt op Quanto amore sei, nota bene een liedje dat we alleen kenden van die 1997-compilatie, waarop dit een van de twee nieuwe liedjes was,
  • en ten slotte Fuego en el fuego is een duet met Lali.
Nieuwe versies van oude liedjes, dat kennen we inmiddels wel van Eros. In 1997 kwam zijn eerste compilatie uit, Eros. Daarop twee nieuwe liedjes (!), vijf liedjes die wel kenden in die uitvoering, maar ook nog negen nieuwe versies van oude bekenden. Ik noem alleen al het duet met Tina Turner, Cose della vita, en je begrijpt wat ik bedoel. Tien jaar later kwam hij met de dubbel-cd, e2, waarvan cd1 een compilatie was met veertien liedjes van eerdere albums en vier nieuwe liedjes. De andere cd bevatte een verzameling heropnames van oude liedjes met gastoptredens van onder andere Wyclif Jean, Carlos Santana en The Chieftains. Best lekker eigenlijk, maar niet echt nodig. Toen dus nog twee cd's, waarvan één met origineel werk en de andere met remakes. Nu loopt dat dus door elkaar op één cd. Daar hou ik niet van.

En dan is er nog een ander dingetje. Eros is een trotse Romein, hij is Italiaan en zingt Italiaans. Zo was het, zo hoort het. Dat-ie om commerciële redenen ook al zijn liedjes in het Spaans zingt en als aparte spaanstalige cd's uitbrengt, prima. Maar val mij daar niet mee lastig. Voor mij zingt Eros Italiaans, of hij zingt niet. Klaar. Maar op deze nieuwe cd staan plotseling ook een Spaansgezongen liedje: het hierboven al genoemde Fuego en el fuego. Dat kan natuurlijk niet zomaar: ik verwacht Fuoco nel fuoco, ik wíl Fuoco nel fuoco. Teleurstellend.

Dus ik ben niet onverdeeld enthousiast over deze nieuwe uitgave. Zijn productiviteit neemt af, zijn articiteit staat onder druk. Maar deze cd blijft natuurlijk wel een verschrikkelijk leuk hebbedingetje. Ik heb de deluxe uitgave, prachtig uitgevoerd met fotoboekjes, de songteksten, helemaal goed. Ik ben blij dat ik het aan mijn verzameling heb toegevoegd. En zeg nou zelf, wanneer je de eerdere vijftien cd's in de kast hebt staan, dan moet de zestiende er toch bij?

ZIjn carrière begon in 1984, met Terra Promessa. In Nederland was zijn eerste hit Ma che bello questo amore in 1987. Zo'n veertig jaar geleden begon zijn ster te rijzen. Indrukwekkend dat-ie er nog steeds is. Maar het gaat tegenwoordig niet meer omhoog. Misschien klinkt het wat Romeins, maar zo gaat het nu eenmaal: elk rijk en elke artiest kent pieken en dalen. En terwijl Ramazzotti zijn oude glorie nieuw leven inblaast, kunnen wij als luisteraars glimlachen, meezingen, en ons afvragen welke hoofdstukken nog komen – want zelfs een groot Romeins artiest houdt ons nieuwsgierig tot het einde. Roem mag dan in steen gebeiteld lijken, maar zelfs marmer slijt. Vandaag headliner in het Colosseum, morgen nostalgie op Spotify.

Over Belgen in het Gaasterland - een complexe familiegeschiedenis

Een alleraardigste roman uit 2014. Twee schrijvers, twee hoofdpersonen, twee verhalen. De ene schrijver een Vlaming, de ander een Fries. Het ene verhaal speelt zich af tijdens de Eerste Wereldoorlog, het andere verhaal loopt van 1965 tot 1987. Wat de verhalen gemeen hebben is de locatie: het Gaasterland. En, verrassend, in het laatste hoofdstuk komen de verhalen bij elkaar, in september 2011 in De Gearte in Bakhuizen.

Dat verrassend bedoel ik een beetje spottend, want die ontknoping kondigt zich al heel vroeg aan.

De schrijvers zijn de Vlaamse Ida van Dessel en de Fries Pieter Folmer. In de roman wisselen hun hoofdstukken elkaar af. Hun schrijfstijl is zeer verschillend, je leest eigenlijk twee verhalen tegelijkertijd. Ida schrijft in korte zinnen, met herkenbare verwijzingen naar popcultuur, ze roept met weinig woorden een duidelijk tijdsbeeld op. Ze schrijft vanuit het perspectief van haar hoofdpersoon. En Pieter daarentegen is beschouwender. Hij is een alwetende verteller, die zijn hoofdpersoon op de voet volgt en nauwelijks uitstapjes maakt. Vooral door middel van zijn dialogen schetst hij zijn karakters, en dat doet-ie prima. Dat de verhaallijnen aan het einde bij elkaar komen, dat voel je al heel snel op je klompen aan. Is dat erg? Helemaal niet.

Het aantrekkelijke van dit boek is de locatie, het Gaasterland. Rijs, Oudemirdum, Nijemirdum, Warns, it Reaklif, Balk, Workum, sinds een tiental jaar voor mij bekend terrein. Ik herken de plekjes, de fietspaden, de huizen, de weilanden, het voelt zó vertrouwd. Ik betrap me erop dat ik alert ben op locatiebeschrijvingen waarin iets niet klopt. Maar die heb ik niet gevonden. Van het lezen van dit boek werd ik blij. Ik hou er namelijk van dat dingen duidelijk worden opgeschreven — en dat ze kloppen.

Dat de geschiedenis van de in Rijs geïnterneerde Belgen tijdens WO 1 een hoofdrol speelt in het verhaal, helpt mee. Het geeft aan dat het bescheiden, afgelegen, rustige Gaasterland meedeed in de brede historische context. Om de vergelijking met The Lord of the Rings te maken: het voelt zoals The Shire een rol speelde in de War of the Ring.

woensdag

Van Melkert tot Mandelson: politieke valpartijen in popcultuur

Melkert in 2002 – wat een val! De architect van Paars leed onherstelbaar gezichtsverlies na een ontluisterende verkiezingsuitslag. Politieke zekerheid verdween sneller dan Andries Noppert op het WK tegenover Messi in de penaltyserie: hartkloppingen, ogen op hem gericht, en toch totaal overrompeld. Het leek alsof Sheldon Cooper zijn hele lab in de fik zag vliegen: ongeloof, paniek én komedie tegelijk.

Februari 2026 – kijk naar Peter Mandelson na de Epstein-files! De architect van New Labour, de Gandalf van de Britse politiek – alomtegenwoordig, invloedrijk, onmisbaar – staat plots in de schaduw van zijn eigen saga. Star Wars-fans zouden zeggen: Anakin Skywalker is volledig overgenomen door de duistere kant. En ja, het publiek kijkt toe met popcorn in de hand, net als bij een onverwachte cameo van Keith Richards die al zestig jaar zijn gitaar hanteert terwijl de wereld doordraait.

Politiek en popcultuur kruisen elkaar altijd. Gary Glitter kreeg ooit zijn ontnuchtering, net zoals Mandelson nu. Melkert viel als Boromir bij Osgiliath, en wij stonden erbij alsof we naar een Champions League-wedstrijd van Ajax keken, die dramatischer eindigde dan elke serie ooit. The Lord of the Rings, Star Wars, Ajax, The Big Bang Theory – stuk voor stuk metaforen voor mensen die hoog willen vliegen.

Elke politieke valpartij heeft een soundtrack: een beetje James Dean’s rebel zonder doel, een beetje Marco Borsato's en Ali B's glansrijke podium van weleer. Het publiek reageert met een mix van lachen, wenen en scrollen door memes. De les? Charisma en talent beschermen je niet tegen een plotwending. Melkert en Mandelson herinneren ons eraan: zelfs de grootste helden kunnen in een paar scènes worden gereduceerd tot cameo’s in hun eigen soap.

Dus ja, politiek is de ultieme popcultuurshow: drama, tragiek, helden en antihelden, met een soundtrack van Keith Richards hier, Three Little Birds daar. En wij? Wij zitten in de zaal, popcorn in de hand, wachtend op de volgende val.



Het weer is weer weer

Over verijzen, verrijzen en verreizen

Na het voor Nederlandse begrippen tamelijk extreme winterweer van vorige week is het weer weer rustig. Twee keer weer achter elkaar: het mag. De taal kijkt niet streng, ze knikt hooguit even.

Hier en daar ligt nog een brok verijsde sneeuw. Dat woord blijft hangen: verijzen. En meteen melden zich zijn klankgenoten. Verrijzen, verreizen. Drie woorden die hetzelfde klinken en toch iets totaal anders doen. IJs dat blijft liggen. Iets dat opstaat. Iemand die vertrekt. Het oor hoort één woord, het hoofd sorteert.

Ik blijf even staan bij die laatste resten sneeuw en merk hoe gedachten zich verplaatsen zonder dat ik een stap zet. Van kou naar beweging, van blijven naar gaan. Het kost geen moeite.

Misschien is dat wel de echte kracht van taal: ze laat je reizen zonder bagage, verrijzen zonder reden en verijzen zonder winter. En dat allemaal terwijl het weer gewoon weer is.

dinsdag

Een zwak voor Friese kerktorens met een zadeldak

Een onverklaarbare bakstenen fascinatie voor zevenenzestig torens tussen elf steden.

De eerste keer dat ik in Fryslân kwam, jaren geleden, viel me een zeer karakteristiek aspect van de Friese cultuurgeschiedenis op. Niet een echt spectaculair aspect, geen seks, geen drugs, geen rock ’n roll, maar kerktorens met een zadeldak. Middeleeuwse kerktorens in romaanse stijl gebouwd met een zadeldak. Geen torenspits, geen koepeltje, geen plat dak, neen, een kerk met een middeleeuwse toren met een zadeldak. Buiten Fryslân zie je ze nauwelijks. Ja, een enkele in Groningen, hier en daar een in Drenthe, in Limburg heb je er een paar, maar dat is het dan. Ik heb via desktop-research een inventarisatie gemaakt en ik kwam tot het indrukwekkende aantal van zevenenzestig zulke torens in Friesland. Regelmatig trek ik eropuit om deze te bezoeken en te fotograferen. Als een project, met als doel: de samenstelling van een fotoalbum met daarin alle Friese torens met een zadeldak, voorzien van een korte beschrijving. Van deze zevenenzestig zijn er twee in een stad: één in Sloten, en één in Bolsward. De andere vijfenzestig staan in dorpen verdeeld over de provincie. Ik heb er nu zestig in mijn work-in-progress album en heb er dus nog zeven te gaan: Hollum, Ingwierum, Foudgum, Nes, Waaksens, Hegebeintum en Wyns. Ja, begin aan een project en je komt nog eens ergens!

Misschien is dat wel wat deze torens me leren: dat sommige dingen niet bedoeld zijn om af te ronden, alleen om steeds opnieuw te bekijken.

maandag

Nachtboek na vijftig jaar

Er zijn boeken die onlosmakelijk verbonden raken met een levensfase. Met school, met onzekerheid, met ambitie. En soms krijg je de kans om zo’n boek opnieuw te ontmoeten.

In het schooljaar 1974/75 deed ik eindexamen vwo, met Nederlands natuurlijk als verplicht vak. In dat laatste schooljaar moest ik een uitgebreide boekanalyse maken voor het eerste schoolonderzoek. We schrijven oktober 74, voor wie mijn Wortels en vleugels las begrijpt het: ik maakte een moeilijke periode door. Ik was gewend alles te lezen wat er te lezen viel; ik bracht vrijwel al mijn tijd door in de openbare bibliotheek. Jan Wolkers, Harry Mulisch, W.F. Hermans, Gerard Reve, allemaal geweldig. Maar de roman die de meeste indruk op me maakte, was een vertaling. Ik vroeg mijn docent toestemming om een ​​boek te analyseren dat uit het Fries was vertaald, en hij vond het prima. De titel: De verwoesting van Leeuwarden. Ik had niets met Leeuwarden, ik verkeerde in full puber mode en een beetje verwoesting van die verweggelegen stad was eigenlijk wel een aantrekkelijk perspectief voor de ambitieuze maar timide jongeman die ik was, de jongen die naam wilde maken.

Riemersma schreef een experimentele roman, waarin hij een zeer spannend verhaal vertelt. Het ritme van het verhaal wordt bepaald door voortdurende onderbrekingen waarin de auteur reflecteert op zijn schrijfproces, zijn drijfveren en zijn eerdere romans. De ondertitel is Nachtboek, omdat hij het voornamelijk 's nachts schreef; overdag moest hij gewoon werken. Het verhaal over die stadsverwoesting is een dystopisch verhaal, waarin levensgrote ratten de macht in Leeuwarden overnemen. Het loopt niet goed af voor de mensen. Eigen schuld, volgens de auteur. Zo'n complexe roman analyseren (plot, perspectief, karakterontwikkeling, tijdsverloop, enzovoort), dat was precies wat ik zocht. En ik kreeg een goed cijfer voor mijn analyse.

Dat was dus ruim vijftig jaar geleden.

En onlangs zag ik het in een tweedehands boekhandel in Bolsward liggen: het Friese origineel in de originele druk uit 1966. Ik heb het meegenomen. Ik heb immers de cursussen Lear mar Frysk en Praat mar Frysk gevolgd. Ik zou dit nu dus moeten kunnen lezen. En dat lukt! Het is geschreven volgens de Friese spellingsregels van vóór 1980, maar dat levert geen problemen op, slechts af en toe een taalpuzzeltje. Nostalgisch leesplezier op 160 pagina's, heerlijk.

zondag

Muziek die me ouder zag worden

Tien jaar geleden overleed David Bowie. Dat klinkt als een herdenking, maar zo voelt het niet. Het is meer een meetpunt. Een moment waarop ik even stilsta en merk: ik sta ergens anders dan toen.

Toen Bowie stierf woonde ik in Haarlem. Stadsgeluiden, agenda’s, werk dat de dagen ordende. Ik weet nog waar ik was toen het nieuws binnenkwam. Ik zat in de auto, onderweg naar Capelle a/d IJssel, 7.25 uur, NPO Nieuwsradio, bij de verkeerslichten op Europaweg in Schalkwijk. Mijn herinnering aan dat moment is nog steeds scherp: verrassing, ongeloof, en daarna de behoefte om te luisteren. Alsof muziek iets kon doen wat woorden niet konden. Bowie hoorde bij mijn leven, hij was er altijd. Tussen afspraken, deadlines, het gewone gedoe.

Nu woon ik in Balk. Fries platteland. Ruimte, lucht, stilte die geen leegte is maar aanwezigheid. De weg van Haarlem naar Balk was geen rechte lijn, maar wel een duidelijke overgang. En ergens onderweg ben ik ook met werken gestopt. Gepensioneerd — een woord dat nog steeds wat vreemd in de mond ligt. Tijd kreeg een andere vorm. Minder blokken, meer uitgestrektheid. Minder wekker, meer vrienden.

Ik merk dat muziek zich daar moeiteloos aan heeft aangepast. Of misschien: ik heb geleerd anders te luisteren.

Als ik Bowie nu opzet, gebeurt er iets anders dan tien jaar geleden. Niet beter, niet slechter — anders. In de stad was muziek vaak begeleiding. Nu is het vaker bestemming. Ik luister niet meer “even”, maar gewoon. Zonder haast. Zonder dat er iets moet volgen. Soms terwijl ik uit het raam kijk, soms tijdens een wandeling die nergens heen hoeft.

Van alle nummers die Bowie heeft gemaakt, is Where Are We Now? in de loop van die tien jaar steeds belangrijker geworden. Niet omdat het zo’n groot statement is, maar juist omdat het dat niet wil zijn. Het nummer kijkt terug zonder te verklaren. Het vraagt, zonder een antwoord te eisen.

Where are we now?
Het is een simpele vraag. Maar hij blijft hangen.

Toen ik dit nummer voor het eerst hoorde, dacht ik vooral aan Bowie zelf. Aan Berlijn, aan herinneringen, aan ouder worden als onderwerp. Nu hoor ik er ook mijn eigen leven in. Haarlem, Balk. Werken, niet meer werken. Dingen die verdwenen zijn zonder echt afscheid te nemen. Dingen die zijn gekomen zonder dat ik ze gepland had.

Wat me raakt, is hoe mild het nummer is. Geen dramatiek, geen grote conclusies. Alleen observatie. Alsof Bowie wist dat ouder worden niet bestaat uit grote momenten, maar uit kleine verschuivingen. Dat je op een dag merkt dat je ergens anders staat — letterlijk of figuurlijk — en dat dat oké is.

Blackstar heb ik de afgelopen dagen ook weer gedraaid. Tien jaar later klinkt het nog steeds intens, maar minder schokkend. Misschien omdat ik zelf rustiger ben geworden. Of omdat afscheid nemen in de tussentijd een andere betekenis heeft gekregen. Het album voelt nu minder als een afscheid van Bowie, en meer als een oefening in loslaten. Iets afronden zonder het dicht te timmeren.

Wat Bowie voor mij nooit is geweest, is een idool dat stilstaat. Zijn muziek is meeveranderd, niet omdat zij veranderde, maar omdat ik dat deed. Sommige platen zijn even naar de achtergrond verdwenen. Andere zijn juist naar voren gekomen. Dat voelt niet als verraad, maar als een natuurlijke beweging. Muziek die blijft, doet dat niet door te blijven klinken zoals vroeger, maar door nieuwe lagen toe te laten.

Misschien is dat wel wat me het meest bezighoudt, nu. Muziek die je niet jong houdt, maar je ouder laat worden. Die niet zegt: kijk eens wie je was, maar vraagt: waar ben je nu?

Tien jaar geleden woonde ik in Haarlem en werkte ik nog. Nu woon ik in Balk en heb ik tijd. Bowie is in die tijd niet veranderd. Zijn muziek wel — voor mij. En dat is misschien precies zoals het hoort.

Ik zet Where Are We Now? nog eens op. Het nummer eindigt zonder antwoord. Buiten is het stil. Binnen ook. En ergens daartussen, denk ik, is het goed zo.

vrijdag

Wortels en vleugels

"Jij hebt zeker tijd te veel, nu je met pensioen bent." Ik weet het niet, de dagen lijken soms niet lang genoeg om alles te doen wat ik zou willen doen. Tussen de vele bedrijven door heb ik iets gedaan waar ik apetrots op ben: ik heb een boek geschreven! Het heet Wortels en vleugels, en het vertelt het verhaal van mij, van mijn ouders en van mijn grootouders. Ik kom uit een rooms-katholiek nest, allemaal geworteld in de Bollenstreek. Aan de hand van gesprekken, brieven en herinneringen heb ik geprobeerd om mijn familie, de mensen om hen heen, om relevante gebeurtenissen weer tot leven te brengen.

Nu ik erop terugkijk realiseer ik me dat Wortels en vleugels een beeld geeft van afkomst, geloof en maatschappelijke veranderingen die elkaar beïnvloeden. In dat beeld zie je hoe ieder zijn weg probeert te vinden binnen de grenzen van zijn tijd.

Het voelt heel bijzonder om je eigen boek in de handen te houden. Er komt zoveel bij kijken! Ik heb zelf de typografie gedaan: het vormgeven, opmaken en rangschikken van tekst om deze leesbaar, begrijpelijk en visueel aantrekkelijk te maken. Dat betekent keuzes over bladformaat, lettertypen, lettergrootte, regelafstand, witruimte en uitlijning. Voor de omslag heb ik de hulp van ChatGPT ingeroepen. En om het uiteindelijk bij de drukker te krijgen, daarvoor heb ik hulp gekregen van StudioFRL. In alle bescheidenheid constateer ik dat het boek er fantastisch uitziet.

Het is niet te koop in de boekwinkel. Wie een exemplaar wil hebben, moet bij mij de vinger opsteken. 

dinsdag

De vrouwen aan wie ik 's nachts denk - Mia Kankimäki

Best wel een spannende boektitel, de vrouwen aan wie ik ’s nachts denk. Maar dit is niet wat je wellicht zou denken. Dit is een reisboek over vrouwen en het heeft helemaal niets met seks te maken. De drieënveertig jarige auteur dacht jarenlang ’s nachts aan vrouwen, tijdens slapeloze nachten waarin ze “het gevoel had dat het uur van de wolf nooit eindigde.” Ze dacht aan vrouwen die haar inspireerden, die grenzen verlegden, die dingen deden die niet van hen werden verwacht. De auteur beschrijft de levens, de reizen, de keuzes, van tien van deze nachtvrouwen, haar beschermengelen, haar voorbeelden. En ze reist in de voetsporen van enkele van deze vrouwen naar Tanzania, Japan, Italië, Frankrijk.

Het geslaagde resultaat is een boeiende combinatie van biografie en reisverhaal. De nachtvrouwen zijn genummerd één tot tien. Nachtvrouw één is de vroeg-twintigste eeuwse Karen Blixen (die van Out of Africa), nachtvrouwen twee tot en met zes zijn negentiende-eeuwse ontdekkingsreizigers, nachtvrouwen zeven, acht en negen zijn Italiaanse renaissance- en barok-kunstenaars en nachtvrouw tien is de hedendaagse Japanse kunstenaar Yayoi Kusama. Geen saaie vrouwen, geen standaard-carrières, geen volgzame types. De auteur geeft ons een inkijkje in haar eigen twijfels en trekt lessen uit de ervaringen van haar nachtvrouwen, positieve en negatieve ervaringen. Dat geeft een derde dimensie aan deze verhalen, het zijn niet slechts reisverhalen en biografieën, de auteur neemt ons ook mee naar haar eigen leven, haar angsten, haar onzekerheden. Mooie combinatie.

Het is literaire non-fictie en daardoor weet je nooit of alles echt zo is gegaan zoals het is opgeschreven. En dat is goed, dat biedt mij de mogelijkheid om na te denken over waar ik zelf sta in het leven. Dat voelt niet altijd helemaal gemakkelijk, vooral omdat dit verhalen van en over vrouwen zijn. Als mannelijke lezer voel ik me van tijd een buitenstaander, iemand voor wie dit niet is geschreven en die zich er eigenlijk niet mee zou moeten bemoeien. Maar is dat erg? Ik denk het niet. Het leert me in elk geval dat er zoiets als een vrouwelijk perspectief bestaat, waarin zaken anders worden belicht dan ik eerder dacht. En van dat besef kan een mens (dus ook een man) niet slechter worden, toch.

De verhalen zijn met humor en veel relativering geschreven en worden goed verteld. Het leest vlot weg. Bij het lezen was Google Maps nooit buiten handbereik. Wikipedia had ik nodig om het bijbelverhaal van Judith en Holophernes te begrijpen.

Tot slot was ik aangenaam verrast toen bleek dat de nummer één-positie in de top 3 van slechte inpakkers toegekend is aan Alexandrine Tinne, de puissant rijke Haagse aristocrate, die in 1862 op haar zesentwintigste op zoek ging naar de bronnen van de Nijl. Enkele jaren geleden wijdde het Haags Historisch Museum een interessante expositie aan haar, waar ik met plezier aan terugdenk. Geen nachtvrouw, maar wel een buitengewoon geval.

maandag

coronazomer

Ik ben het zat, ik ben het beu, ik bin der siik fan. Ik wil ermee stoppen, met die coronamaatregelen. Ik durf het niet, maar ik wil het wel. Ik doe het niet, maar dat is omdat ik te gedwee ben, te gehoorzaam ben.

Ik merk om me heen dat steeds minder mensen aan social distancing doen. Het is niet zo dat er geen draagvlak meer is, want iedereen zegt nog steeds dat het belangrijk is. Maar we doen steeds vaker alsof het weer net als vroeger is. Op straat, in winkels, in de horeca, het blijkt allemaal niet vol te houden.

Officieel gelden er nog allerlei beperkingen. Maar merk je er iets van? Ja, we hebben geen Tour de France, geen voetbal, geen Olympische Spelen. Maar dat is officieel. In de realiteit van alledag blijkt zo'n beetje alles weer normaal te worden. Er bestaat momenteel een officiële gedragslijn, bepaald door de overheid, waar iedereen zich zegt aan te houden. En er bestaat een dagelijkse praktijk, waarin iedereen doet wat hem/haar goeddunkt.

Ik ben te gedwee, te gehoorzaam. Ik kan hier slecht tegen.

woensdag

Terug naar kantoor

Vandaag ga ik voor het eerst sinds 12 maart weer naar kantoor. Het continu thuiswerken duurde meer dan dertien weken. Ons kantoor is natuurlijk geheel corona-proof gemaakt, met afgekruiste bureaus, met looplijnen in de gangen, met minder stoelen per vergadertafel, noem maar op. Ik ben benieuwd hoe dit gaat zijn.

vrijdag

Out in the Country


Vandaag een doordeweekse vrijdag eind maart. In normale tijden zijn we dan in Friesland, Out in the Country. Normaalgesproken genieten we allemaal zo veel mogelijk buiten van uitbundig lenteweer. In andere jaren zouden we ons nu opmaken voor De Ronde van Vlaanderen en voor Parijs-Roubaix. Maar het zijn geen normale tijden, we verkeren in buitensporige omstandigheden. We zitten voorlopig nog binnen. Slikken. Doorbijten. Volhouden.



donderdag

Earthlings on Fire

Twee weken, het is nog maar twee weken geleden dat we massaal naar huis gingen om alleen als het echt niet anders kan naar buiten te gaan. Twee weken, het voelt als een eeuwigheid. Maar het zijn pas twee weken. En de thuisisolatieperiode, de tijd van social distancing, is voorlopig niet voorbij. Alle cijfers laten nog steeds een stijgende lijn zien, alhoewel de experts menen dat ze hier en daar de eerste tekenen van afvlakking waarnemen. Ik zie dat niet.

Ik hou voor mezelf van die staatjes bij, een Excel met cijfers. Bijvoorbeeld per dag het aantal bezette IC-plaatsen. Ik begrijp niet goed waarom ik dat doe, want elke coronajournalist doet dat, maar het is onbedwingbaar, ik kan het niet laten. Op de een of andere manier geeft het mij het gevoel dat ik er grip op heb, meten is weten, kennis is macht, zoiets. Onzin natuurlijk, ik heb, los van het effect van de bijdrage van mijn thuisisolatie, natuurlijk nul invloed op het verloop van de pandemie. Maar ik moet wat.
I don't want knowledge
I want certainty

Onzekere tijden, moeilijk, moeilijk, moeilijk. Bowie zong het al.


woensdag

Headset


Ik zit aan de eettafel, laptop voor me, headsetje op. Thuiswerken. Behelpen. Ik sta een paar keer per dag op, naar het toilet, hond uitlaten, that's it. Ongezond, ik weet het. Een mens zou veel vaker even de benen moeten strekken, het hoofd moeten vrijmaken, de zinnen verzetten. Maar ja, de plicht roept, de zaak moet verder, de schoorsteen moet roken. Dat het mooi weer is, helpt niet mee. We zitten voorlopig nog binnen, wen er maar aan aan die headset.

dinsdag

Opgehokt

Nog meer maatregelen. We hebben weliswaar geen totale lockdown, maar we worden nog verder beperkt. Terecht. Binnenkort gaan de BOA's met een meetlint door de stad. En ze delen boetes uit. Tot 1 juni geen samenkomsten. De winkels die nog open zijn, moeten maatregelen treffen om te voorkomen dat er te veel mensen op een klutje binnen zijn. Burgemeesters moeten beslissen over het openblijven van recreatieparken en campings. Schoolexamens uitgesteld, 4 mei zonder publiek.

Het gaat maar door. Elke maatregel is een verscherping. Jammer. Liever had ik gezien dat de eerste set maatregelen zo doeltreffend zou zijn geweest, dat daarna langzaam een versoepeling had kunnen plaatsvinden. Eerst de koppeling helemaal intrappen om hem daarna langzaam te laten opkomen. Maar niet dus.


We zitten de komende maanden nog binnen. Opgehokt. Thuiswerken. Filmpjes kijken. Geen voetbal. Geen wielrennen. En als ze dan ook nog Willeke Alberti laten optreden bij DWDD, dan krijg je een beetje gevoel voor hoe zwaar die periode zal zijn.

maandag

Aftellen naar lockdown

Gisteren was weer een vreemde dag. Zonnig, stil, koud, vreemd, nerveus. Een dag van nog steeds oplopende cijfers, een dag van betrokken boswachters, boze Belgen en bezorgde burgemeesters. Veel mensen doen aan de social-distancing, maar te veel mensen doen dat niet. En dat laatste heeft consequenties. Te veel mensen die op ene klutje door het bos wandelen. Te veel mensen die eventjes naar België gaan om te tanken. Te veel mensen die schouder aan schouder over de markt schuifelen. Mensen massaal op het strand. Ik houd er rekening mee dat het kabinet vanmiddag zal besluiten om striktere maatregelen te treffen: Nederland gaat verder op slot. Uiterst pijnlijk, maar noodzakelijk.

boksles op het strand van Scheveningen

zondag

Hangout

Gisteren was de tweede coronazaterdag in Nederland. Buiten is het voorjaar en wij zitten binnen. De lentebloemen vieren feest op het veld en wij kniezen op de bank. Facebook, e-mail, Whatsapp, Messenger, je moet wat. Ik kijk afleveringen van mijn favoriete tv-serie House. Ik zit inmiddels in seizoen vier. Ziekenhuis, dokters, vreemde ziektes, ik blijf binnen het thema.

De burgemeesters van Noordwijk, Zandvoort en Bloemendaal zeggen dat de mensen niet meer naar het strand moeten komen. Het lukt ons kennelijk niet om onderling voldoende afstand te houden. En dat is toch zó belangrijk. Ik wil er heel graag op uit, maar ik doe het niet, ik blijf binnen. Alleen vijf keer per dag tien minuten een straatje om met Max, en dat is het.

We moeten het uitzingen; het gaat nog lang duren. Ze hebben het allemaal over die curve. Zo’n curve heeft vier fasen. De eerste fase is die van een langzame stijging die daarna sneller en sneller gaat. Die fase gaat over in de tweede fase wanneer de snelheid van de stijging afneemt. In die fase neemt het aantal nieuwe besmettingen nog wel toe, maar dus minder snel. Tot het punt dat er geen sprake meer is van een stijging maar van een stabilisatie gevolgd door een afname, eerst langzaam dan sneller. Dat is de derde fase. En tenslotte dooft het langzaam uit in de vierde fase. Momenteel zien we nog steeds een toenemende stijging, fase 1 dus, in Italië, maar ook in Spanje en Frankrijk. En bij ons dus ook. Betrouwbare getallen over het aantal besmettingen zijn er niet, we hebben alleen het aantal sterfgevallen en het aantal IC-opnames. En die getallen nemen nog steeds toe. We zouden de effecten van ons social-distancing-beleid in die cijfers moeten zien terugkomen, maar ik zie nog niets.

Gisterenmiddag hadden we een hazenfamilie Hangout. Gezellig. We virtueel-borrelen ons er maar zo goed en zo kwaad als het gaat doorheen.


zaterdag

The King's Speech

Gisteren toespraak van de koning. Zo’n toespraak, zo’n King’s Speech, dat gebeurt niet vaak, best wel bijzonder. Ik vond ‘m wel oké. Plussen en minnen. Eerst wat minnen. Om te beginnen, hij is hier niet goed in, hij brengt het niet soepel, tamelijk houterig, verkeerde klemtonen, typische intonaties, het gaat ‘m niet gemakkelijk af. Laten we het er maar op houden dat hij erg onwennig is met de autocue. Maar dat is de presentatie. Belangrijker is natuurlijk de inhoud, de tekst zelf. Daarbij moeten we in ogenschouw nemen dat hij een uitsluitend representatieve rol vervult en dat hij zich niet met de maatregelen mag bemoeien. Hij hield zich prima aan die regel, hij had het over van alles, maar niet over iets concreets. Abstracte woorden als verdriet, hand vasthouden, troost, trots, moeilijke tijden, onzeker, bang, noodzakelijk, ingrijpend. Het komt volgens hem uiteindelijk neer op drie dingen: ons aller alertheid, solidariteit en warmte, en daarmee kunnen we het samen aan. En dat vond ik wel goed. Wat hij zegt, dat heeft impact in de samenleving, en ik denk dat deze tekst helpt om ons een perspectief te bieden.

Opvallende nieuwe woorden van de dag: eenzaamheidsvirus (W.-A.), anderhalvemeterpolitie (Rutte).




vrijdag

Uitsmeren

Dus om de piek af te vlakken wordt het aantal IC-opnamen uitgesmeerd in de tijd. Het moet immers uit de lengte of uit de breedte komen. We moeten het uitzingen. Laten we eens naar de X-as van die “flatten de curve”-grafiek kijken, naar de tijd. Hoe lang zal het duren? Het kabinetsbeleid gaat ervan uit dat zodra we groepsimmuniteit hebben ontwikkeld, dat dan de maatregelen kunnen worden afgeschaald. Vijftig tot zestig procent van ons moet antistoffen hebben. Voorlopig kom je alleen aan die antistoffen door ziek te worden. Impliciet is dus het doel: negen miljoen zieken in Nederland. Maar dus niet allemaal tegelijk!

Hoeveel zieken kunnen we tegelijkertijd hebben? Wanneer we allemaal slechts ‘milde klachten’ zouden krijgen, is er niets aan de hand. Maar dat is niet zo: een gedeelte van ons krijgt ernstige klachten. De vraag is: hoeveel zieken komen op de IC terecht? Laat ik dit laag inschatten: 1 procent, één op de honderd. Ik las ergens al veel hogere percentages, maar ik hoop echt dat dat te pessimistisch is. Laten we eens met die 1% gaan rekenen. Dan hebben we het over 1% van 9,000,000 mensen: 90,000 patiënten op de IC. We hebben in Nederland 1,150 IC-plaatsen en schalen op. Laten we aannemen dat we tot 2,000 plaatsen kunnen uitbreiden, en laten we ervan uitgaan dat die allemaal beschikbaar zijn voor coronapatiënten. Dan is de volgende vraag: hoe lang ligt een coronapatiënt op de IC? Weer een aanname: laten we dat op gemiddeld een week stellen. Dan hebben we dus nodig: 90,000 IC-patienten x 7 dagen = 630,000 IC-patiëntdagen. De capaciteit is 2,000 bedden. Dan moeten we de curve dus uitsmeren over 630,000 / 2,000 = 315 dagen, tot 1 februari volgend jaar. Dat gaat niet gebeuren, het zal ongetwijfeld sneller gaan. Gevolg: de curve blijft niet beneden de stippellijn. Kan niet. Of mijn aannames zitten er ver naast. De grootste onzekerheid zie ik bij die inschattting van 1% van de zieken naar de IC. Alleen wanneer dat percentage in werkelijkheid veel lager blijkt, zou het kunnen. Fingers crossed.

Gisteren trad minister Bruins van Medische zorg af. En wederom zijn veel evenementen afgelast: GP van Zandvoort, Bloemencorso van de Bollenstreek. Youp van ’t Hek in het ziekenhuis. Ook gisteren een company meeting via video-conferencing. We verkeren in zwaar weer. Het zijn bizarre tijden.

Kwartfinale

Noren benadeeld bij Bellinghams gelijkmaker. Keeper schiet bal tegen cameradraad. Coach van de Noren roept: Videoscheidsrechter! Niema...